Hyperreactiviteit
LUCHTWEGREACTIVITEIT
Luchtwegen
vernauwen bij blootstelling aan allerlei prikkels. Deze prikkels
worden specifiek of aspecifiek genoemd. Prikkels die een immunologische
respons uitlokken worden specifiek genoemd. De belangrijkste
immunologische respons is type
I, IgE gemedieerd en wordt in gang gezet door allergenen (atopie). Deze specifieke
immunologische respons staat tegenover die op niet-allergische
(niet-specifieke) prikkels, zoals histamine, methacholine
en koude lucht. De reactie op stoffen met antigene eigenschappen
is een kenmerk van atopisch astma.

Er
zijn veel antigenen bekend die luchtwegvernauwing kunnen uitlokken.
Zo leeft de huisstofmijt van huidschilfers afkomstig van mensen
en dieren. De uitwerpselen van de huisstofmijt bevatten antigenen
die zich in huisstof en bedden ophopen. Inademing van dit
antigene materiaal kan tot een ontstekingsproces in de luchtwegen
van atopische individuen leiden. Andere antigene stoffen zijn
dierlijke huidschilfers (bijv. van kat, hond, paard), pollen
van planten (bijv. gras- en boompollen), of schimmelsporen.
Bronchi van niet-astmatici vertonen geen reactie op zulke
agentia, echter wel op 'niet-specifieke' prikkels, maar minder
sterk en pas bij hogere doses dan bij astmatici.