Luchtwegafsluiting
Bij een laag longvolume ontstaat potentieel een
probleem. Plaatselijk kan het volume zover afgenomen zijn,
dat de elastische retractiedruk van het longweefsel nul is.
Wordt dan (nog) uitgeademd, dan leidt dit niet tot regionale
longontlediging. Hoog gelegen longgebieden kunnen nog wel
uitademen. Naarmate de uitademing vordert neemt het aantal
gebieden dat niet meer kan uitademen toe, tegen de richting
van de zwaartekracht in. Door hun gewicht worden onderliggende
longgebieden gecomprimeerd, zodat de pleuradruk hoger wordt
dan de atmosferische druk. Kleine intrapulmonale luchtwegen
worden nu niet meer door hun omgeving open gehouden, maar
samengedrukt. Er is sprake van luchtwegafsluiting ('airway
closure').
Bij zo'n laag longvolume, en vooral bij een hele slappe long, kan locale
luchtwegafsluting er dus toe leiden dat er helemaal geen alveolaire ventilatie
is. Het langsstromende bloed zal zuurstofarm bloed aan de grote circulatie
aanbieden; door de vorm van de oxyhemoglobine dissociatiecurve is het
niet mogelijk dat dit door goede ventilatie van andere gebieden wordt
gecompenseerd.
Conclusie
Bij de pasgeborene is er zowel sprake van een slappe long als van ademen op een heel laag longvolume, waarbij luchtwegafsluiting voorkomt. Dit wordt gebruikt ter verklaring van de lage zuurstofspanning die bij hen wordt gevonden.