COPD
COPD wordt gekenmerkt door afgenomen maximale expiratoire volumestroom en vertraagde snelheid van longontlediging die over enkele maanden betrekkelijk stabiel zijn. De stroombeperking neemt in de tijd toe en is grotendeels irreversibel. De belangrijkste pathologische veranderingen zijn:
- een verminderde doorgankelijkheid van de luchtwegen door wandverdikking, ophoping van secreet en veranderingen in de vloeistoffilm van kleine luchtwegen;
- longemfyseem, gekenmerkt door vergroting van luchthoudende ruimten door het verlies van alveolaire septa, waarbij het verlies van alveolaire aanhechtingen aan luchtwegen tot de luchtwegobstructie bijdraagt.
COPD gaat veelal gepaard met chronische hoest met sputumproductie, d.w.z. wel 3 maanden per jaar gedurende ten minste twee jaren. Ook is er veelal enige mate van bronchiale hyperreactiviteit ten opzichte van allerlei stimuli. Er is meestal maar weinig reactie op bronchusverwijdende farmaca. Over de jaren toenemende kortademigheid en chronische hoest leiden meestal tot het eerste bezoek aan de arts; bij navragen is er vaak piepen op de borst, en zijn er met name ’s winters herhaalde episoden met respiratoire infecties. Vooral ’s morgens wordt sputum opgegeven; tijdens exacerbaties neemt het sputumvolume toe en kan er bloedbijmenging zijn. Grote hoeveelheden sputum worden geproduceerd bij bronchiëctasieën.
Bij chronische bronchitis is er eveneens sprake van chronische hypersecretie, die echter kan optreden zonder dat er aantoonbare vermindering is van de maximale ontledigingssnelheid van de long.
COPD is vaak moeilijk te onderscheiden van persisterend astma bij oudere patiënten. Langdurig en veel tabaksgebruik, radiologische aanwijzingen voor longemfyseem, chronische hypoxemie en een verminderde diffusiecapaciteit pleiten voor COPD. Een sterke verbetering van de luchtwegobstructie onder invloed van snelwerkende luchtwegverwijders of van glucocorticosteroïden, en atopie pleiten voor astma.