Word een
Expert in Spirometrie

Expiratoire obstructie

Expiratoire obstructie is een toestand waarbij de expiratoire luchtstroom is afgenomen. Deze afname wordt doorgaans afgemeten aan parameters die worden bepaald tijdens een maximale geforceerde uitademing. De meest gebruikte parameters zijn het FEV1 en de FVC. Om uit te maken of deze indices abnormaal verlaagd zijn, is het nodig een (arbitraire) ondergrens te bepalen. Meestal wordt deze ondergrens gebaseerd op de verdeling van FEV1 en FVC in een “normale”, klachtenvrije, niet-rokende populatie. De ondergrens van bijvoorbeeld het FEV1 kan dan zo worden gekozen dat een lagere waarde bij minder dan 5% van deze “normale” populatie voorkomt. Bronchusobstructie kan ook leiden tot een afgenomen FVC, hoewel dit lang niet altijd het geval is.

Hoe groter de long, hoe groter de diameter van alle luchtwegen, en dus hoe groter het volume dat tijdens een geforceerde uitademing in één seconde kan worden verplaatst. Daarom is het nuttig om het FEV1 te relateren aan het longvolume. Dan pas kan uitgemaakt worden of de verlaging van het FEV1 een gevolg is van een afgenomen longvolume op zich, of van een andere oorzaak (bijvoorbeeld een abnormaal dikke bronchuswand door bronchitis). Bij de standaard spirometrie wordt het echte longvolume (d.w.z. inclusief het residuale volume) niet gemeten, vandaar dat wij ons behelpen met de FVC of IVC om voor het “volume-effect” te corrigeren. De meest gebruikte maat is de FEV1/FVC ratio, ook wel genoemd “forced expiratory ratio” (FER). Indien bij obstructieve longaandoeningen de vitale capaciteit verlaagd is, is de stoornis in de FVC groter dan in de IVC. Vandaar dat in zulke gevallen de FEV1/FVC ratio (=FER) hoger is dan de Tiffeneau index (FEV1/IVC).

Top pagina | | | ©Philip H. Quanjer