Inspiratoire obstructie
Inspiratoire luchtwegobstructie kan het best worden vastgesteld tijdens een geforceerde inspiratie.
De vorm van de flow-volume curve heeft dan meestal een typisch aspect. Als geforceerd wordt ingeademd vanaf het residuale volume (RV) neemt de inspiratoire flow aanvankelijk vrij snel toe, maar bereikt vervolgens een plateau. Vaak neemt de flow geleidelijk af tijdens deze plateaufase. Bij een “normale”, onbelemmerde, inademing treedt deze plateaufase meestal niet op.
Als parameter om een belemmerde inspiratoire flow aan af te meten wordt nogal eens het inspiratoire secondevolume (FIV1) gebruikt. De ‘normale waarden’ voor het FIV1zijn minder goed bekend dan voor het FEV1; aangenomen wordt dat het FIV1 groter moet zijn dan 80% van de IVC (zie referenties).
Inspiratoire obstructie wordt vooral gezien bij afwijkingen die de extrathoracale luchtwegen vernauwen, omdat in deze luchtwegen onderdruk ontstaat tijdens inademing. Hierdoor ontstaat een “collapsneiging” tijdens inademing (een inspiratoire smoorklep), die wordt versterkt als er bijvoorbeeld een tumor op de bovenste luchtwegen drukt (bijvoorbeeld uitgaande van de schildklier). Dit neemt niet weg dat intrathoracale ziekteprocessen soms ook inspiratoire flowbelemmering kunnen geven (bijvoorbeeld bij sommige vormen van bronchitis).
Voorspelde
waarden voor FIV1
Tammeling GJ. Standard values for lung volumes and ventilatory
capacity of sanatorium patients. Selected Papers. Royal Neth
Tuberc Ass 1961; 1: 65-89.