Sensititiveit en specificiteit in een gewone bevolking
Indien zich mensen presenteren die
- chronisch (meer dan 3 maanden per jaar) hoesten en/of sputum opgeven,
- die meer kortademig zijn bij allerlei activiteiten dan anderen van dezelfde leeftijd,
- en/of die voor astma verdachte aanvallen van dyspnoe hebben,
dan is het aannemelijk dat een aantal van hen luchtwegobstructie kan hebben. Luchtwegobstructie wordt gedefinieerd als een FEV1%(F)VC lager dan het 5-percentiel van personen van dezelfde leeftijd die nooit respiratoire klachten hadden en nooit rookten; door het 5-percentiel te gebruiken definiëren we de specificiteit op 95%, en nemen we genoegen met 5% vals-positieve resultaten in de referentiepopulatie. Beoordeeld aan de populatie van Vlaardingen en Vlagtwede is de sensitiviteit (het % personen met respiratoire symptomen dat een lager FEV1%(F)VC heeft dan de referentiegroep) als volgt:
| Vrouwen | Mannen |
| 13,3% | 27,3% |
Bij vrouwen is de referentiegroep vrijwel even groot als de groep met respiratoire symptomen. Wordt niet op indicatie longfunctie-onderzoek verricht bij vrouwen dan staan tegenover 5% valspositieve resultaten slechts 13,3% terecht positieve resultaten; een veel ongunstiger signaal-ruisverhouding dan bij mannen mede omdat de referentiegroep klein is t.o.v. de groep met respiratoire symptomen. Deze resultaten steken waarschijnlijk gunstig af bij de detectie van hypertensie door routinematige bloeddrukmeting.
| Index | Vrouwen | Mannen |
| FEV1 | 12,9% | 26,6% |
| FVC | 9,1% | 13,8% |
Kunnen we de sensitiviteit van spirometrisch onderzoek verbeteren door gebruik te maken van FEV1 of FVC? Nee, kijk maar:
De sensitiviteit kán worden verhoogd, maar dat gaat ten koste van de specificiteit van spirometrisch onderzoek.