Correct uitdrukken van meetgegevens
Het uitdrukken van een gemeten waarde als percentage van de voorspelde waarde is bij volwassenen misleidend omdat de spreiding om de voorspelde waarde onafhankelijk is van het feit of de voorspelling hoog of laag uitvalt. Het ligt dus voor de hand dat de correcte manier om gemeten en voorspelde waarde met elkaar te vergelijken is om na te gaan of het verschil tussen de twee nog binnen de verwachte spreiding valt. We nemen een concreet voorbeeld voor het
FEV1 bij een volwassen vrouw:
| Gemeten FEV1 | 3.87
L |
| Voorspelde FEV1 | 4.33
L |
| Gemeten - voorspelde FEV1 | -0.46
L |
| Spreiding om voorspelde FEV1 | 0.38
L |
De gemeten waarde is dus –0,46/0,38 = 1,21 spreidingen lager dan de voorspelde gemiddelde waarde; de standaarddeviatiescore (SDS) = -1.21. Bij een normale verdeling van de spreiding (gaat vaak niet op!) wordt in een referentiepopulatie bij slechts 5 procent van de personen gevonden dat de SDS kleiner is dan –1,64; dit geeft dan de lagere 5-percentielgrens aan. Bij deze vrouw is de SDS –1,21, dus duidelijk boven de 5-percentielgrens en daarmee “binnen het normale bereik”.
De bijgaande figuur toont dat bij toenemende leeftijd de spreiding in het FEV1 uitgedrukt als percentage van de voorspelde waarde bij een referentiepopulatie van Vlaardingen en Vlagtwedde een duidelijke en te verwachten trend:
hoe hoger de leeftijd, hoe groter de spreiding in % voorspelde waarde. Zou u besluiten dat bijv. waarden kleiner dan 80% van voorspeld verdacht zijn voor longpathologie, dan zou u bij oudere maar gezonde mensen een sterk toenemend aantal beslissingen op grond van fout-positieve resultaten nemen, en bij jongeren soms op basis van fout-negatieve resultaten.