Het grote gemak van de standaarddeviatiescore (= Z-score)
Er is groot voordeel verbonden aan het gebruik van de standaarddeviatiescore (SDS), d.i. het verschil tussen waargenomen (y) en voorspelde (Y) waarde gedeeld door de spreiding (RSD) om de voorspelde waarde:
SDS = Z-score = (y - Y)/RSD
Het voordeel is, dat de SDS op elke willekeurige index kan worden toegepast. Indien de deviaties (y – Y) normaal verdeeld zijn geldt, ongeacht of het om een hemoglobineconcentratie, lengte, creatinineconcentratie of FEV1 gaat, dat aan de SDS onmiddellijk is te zien hoe zeldzaam of gebruikelijk een observatie is. Bijv. een SDS kleiner dan –1,64 wordt bij slechts 5% van de observaties in een gezonde populatie gevonden. En een SDS > +1,96 wordt slechts bij 2½% van alle gezonde mensen waargenomen.
Gaan we in de referentiepopulatie van de laagste SDS tot de hoogste, dan doorkruisen we het traject van 0 tot 100% van de populatie. We kunnen dit percentage (Y-as) als functie van de standaarddeviatiescore (X-as) uitzetten en krijgen dan een S-vormige kromme: grafisch weergegeven het verband tussen percentielgrens en SDS bij een normale verdeling.
Bij uitgesproken pathologie liggen de waarnemingen ver buiten de laagste en hoogste percentielgrenzen van de gezonde populatie. Vandaar dat bij pathologie percentielen niet erg handig zijn. De SDS blijft dan goed bruikbaar. Is bijv. de SDS van het FEV1 = –3, dan weet u dat het FEV1 ver onder het 2½ percentiel van een gezonde populatie is. Heeft deze persoon zich bij u gepresenteerd met pulmonale klachten, dan is de kans wel erg klein dat het om een “normale” FEV1 gaat.