Algemene hygiënische aspecten
- Voorop gesteld moet worden dat er niet één beschrijving bestaat in de literatuur, over besmetting van de ene patiënt naar de andere, via een spirometer. Ook HIV wordt niet overgebracht via speeksel, wel kan dit gebeuren via bloederige secreties. Spirometrisch onderzoek is dus redelijk veilig voor de patiënt. Dit ontslaat U niet van de verplichting om al het mogelijke te doen om een dergelijke besmetting te voorkomen, vooral bij tuberculosepatiënten.
- Sommige electronische spirometers worden alleen maar gebruikt voor geforceerde expiraties; de patiënt ademt nooit ‘in’ via de spirometer. De bacteriologische risico’s zijn dan verwaarloosbaar klein. Ook hier blijft gelden dat regelmatige schoonmaak en desinfectie noodzakelijk blijft.
- Bacteriën gedijen goed in een vochtige omgeving. Leg een opnemer dan ook altijd zó weg, dat vocht er uit kan lopen, en dat de opnemer zo snel mogelijk kan drogen.
- Mondstukken worden altijd voor iedere patiënt vernieuwd. Het veiligste zijn dan wegwerp mondstukken. Gebruikt U geen disposables, dan moeten de mondstukken na gebruik huishoudelijk worden schoongemaakt, gedesinfecteerd met alcohol 95%, nagespoeld met water, en gedroogd.
- Sommige patiënten hebben bepaalde virulente bacteriën in hun sputum: Pseudomonas aeruginosa, of Burkholderia cepacia. Wanneer U daarvan op de hoogte bent, moet de opnemer gedesinfecteerd worden na elk gebruik door een dergelijke patiënt. Hetzelfde geldt voor een patiënt met tuberculose met zuurvaste staven in het sputum.
- Immuun-gecompromitteerde patiënten, zoals HIV-positieven en mensen die cytostatica gebruiken, moeten blazen in een spirometer die direct tevoren is gedesinfecteerd. Ook patiënten met cystic fibrosis hebben recht op een opnieuw gedesinfecteerde spirometer.