Word een
Expert in Spirometrie

Instructie voor een inspiratoire en expiratoire meting

Wordt bij flow-volume curven een inspiratoire en expiratoire meting verlangd, dan wordt vaak de inspiratoire direct na de expiratoire uitgevoerd. Het is echter veel beter om de inspiratoire meting direct vooraf te laten gaan aan de expiratoire, omdat dan immers de IVC wordt verkregen: een IVC die duidelijk groter is dan de FVC past bij expiratoire luchtwegobstructie. Veel mensen vinden de inspiratoire manoeuvre erg lastig uit te voeren.
Eerst de patiënt duidelijk maken wat er verwacht wordt, zie de instructie op de vorige pagina.
Vervolgens:

de patiënt mag tijdens het onderzoek zitten of staan (maakt voor de resultaten niet uit (ref. 1). Zorg dat de patiënt een gemakkelijke houding heeft, laat evt. knellende kledingstukken losmaken.
breng de neusklem met een tissue aan, geef evt. de patiënt zelf een tissue in de hand voor het later uit de mond nemen van het mondstuk. Laat de patiënt voorzichtig tegen de neusklem persen om op lekken te controleren.
laat de patiënt het apparaat in de hand vasthouden
laat de patiënt het mondstuk in de mond nemen, kin iets omhoog, de nek gestrekt, en
geef de patiënt de kans om te wennen aan het ademen in het apparaat;
instrueer de patiënt aan het einde van een gewone inademing
Adem nu helemaal uit …. zie diep als u kunt ….. uit …. uit …. helemaal uit ..... zo ver als u kunt ....uit.’
Vermijd dat lang op het niveau van het RV wordt geperst.
vervolgens onder constante aanmoediging zo hard en zo diep mogelijk laten inademen
nu langzaam diep inademen …. ga door .... zo diep als u kunt ….. dieper …. dieper . to u niet verder kunt.’
laat zonder pauze op TLC niveau direct zo hard en zo lang mogelijk uitblazen onder constante aanmoediging ‘Blaas nu zo hard uit als u kunt ’,
en zo lang de patënt kan uitblazen doorgaan met luidkeels aanmoedigen
uit …. uit …. uit … ga door … verder uit …. alles er uit ’.
Vooral bij patiënten met luchtwegobstructie moet worden geprobeerd om de geforceerde uitademing 6 seconden of langer vol te laten houden. De romp dient tijdens de hele manoeuvre rechtop te blijven.
apparaat met mondstuk uit de mond nemen, neusklem ophouden
laat de patiënt even bijkomen (15-30 s) en leg uit op welk punt de manoeuvre verbeterd moet worden c.q. dat goed werd geblazen
na voldoende lange pauze om op adem te komen (15-30 s) nieuwe manoeuvre laten uitvoeren; bij te snelle herhaling schiet de medewerking tekort en kunnen verschijnselen van hyperventilatie optreden
na elke FVC manoeuvre controleren of goed is geblazen, instrueer de patiënt hoe een volgende manoeuvre te verbeteren, beoordelen of al 3 goed uitgevoerde manoeuvres ter beschikking staan, en of aan criteria voor reproduceerbaarheid van FVC en FEV1 wordt voldaan. Niet verder gaan dan 8 manoeuvres; beschouw bij een ongeoefende patiënt evt. de eerste twee pogingen als oefenmanoeuvres
neem zo nodig het mondstuk uit de mond van de patiënt met een tissue om speeksel op te vangen, verwijder de neusklem, berg ze op.

Wees bij een dalende tendens in FVC en FEV1 er op bedacht dat het om een patiënt kan gaan bij wie de ademmanoeuvres luchtwegobstructie uitlokken.


Ref. 1- Staande of zittende houding maakt geen verschil

  1. Pierson DJ, Nick NP, Petty TL. A comparison of spirometric values with subjects in standing and sitting positions. Chest 1976; 70: 17-20.
  2. Townsend MC. Spirometric forced expiratory volumes measured in standing versus the sitting posture. Am Rev Respir Dis 1984; 30-123-124. (Volgens deze auteur is de VC op middelbare leeftijd ongeveer 70 mL kleiner in zittende dan in staande houding).
  3. Lalloo UG, Becklake MR, Goldsmith CM. Effect of standing versus sitting position on spirometric indices in healthy subjects. Respiration 1991; 58: 122-125.
Top pagina | | | ©Philip H. Quanjer