Zoals uit de voorgaande tekst en animatie animatie blijkt wordt de expiratoire volumestroom tijdens een geforceerde uitademing bepaald door:
1
De elastische eigenschappen van de long:
hoe stijver de long en dus hoe groter PL,el, des te meer worden kleine luchtwegen open gehouden.
des te stijver de long, des te groter de afstand die bij dezelfde volumestroom wordt afgelegd voordat tussen alveolus en bronchus een drukverlies = PL,el is opgetreden. Pas dan ontstaat een ‘equal pressure point’, dus in principe in grotere luchtwegen.
hoe verder de long is opgerekt, des te groter is PL,el.
2
De stromingsweerstand in de wat kleinere intrathoracale luchtwegen.
Hoe groter de weerstand, hoe groter bij dezelfde volumestroom het drukverval is door wrijvingsverliezen. Des te kleiner is dus de afstand die tussen alveolus en bronchus wordt afgelegd voordat een drukverlies = PL,el is opgetreden. Stroomafwaarts hiervan ontstaat een ‘equal pressure point’, dus in principe in kleinere en slappere luchtwegen.
Omdat de weerstand van luchtwegen toeneemt bij kleiner longvolume (zie 1) en tevens PL,el afneemt, wordt de volumestroom kleiner naarmate verder is uitgeademd.
3
De stijfheid van de luchtweg waar de smoorklep ontstaat.
Hoe stijver dit luchtwegsegment is, des te wijder is de smoorklep en des te groter de volumestroom die wordt doorgelaten.
4
Op het einde van de uitademing ontstaat (vooral bij ouderen) luchtwegafsluiting, beginnend in basale longgebieden.
Bekijk op de animatie hoe de interactie van deze factoren leidt tot een maximale expiratoire flow-volume curve. (animatie tijdelijk met Engelse tekst)