Determinanten inspiratoire volumestroom
| Tijdens een geforceerde inademing werkt bij een gezonde alles mee om een grote inspiratoire volumestroom te genereren: |
|
| 1 | Des te geforceerder wordt ingeademd, des te meer daalt de alveolaire druk ten opzichte van die aan de mond, en des te groter wordt de volumestroom. |
| 2 | Des te geforceerder wordt ingeademd, des te sterker daalt de pleuradruk; de intrathoracale luchtwegen worden daardoor wijder, en dit bevordert een hoge stroom. |
Van een smoorklep die de stroom limiteert, zoals bij een geforceerde uitademing, is helemaal geen sprake. Is er een gegeneraliseerde luchtwegvernauwing, zoals bijv. COPD, dan zal dit natuurlijk de inspiratoire stroom doen verminderen. Omdat de longelasticiteit nauwelijks van invloed is (beïnvloedt alleen de pleuradruk) mag zelfs worden verwacht dat bij een slappe long zonder perifere luchtwegobstructie er op de inspiratoire volumestroom niets aan te merken is. Vandaar dat bij zulke patiënten het FEV1 wel, maar het FIV1 niet gestoord is.
De animatie toont het gedrag van luchtwegen tijdens geforceerde uit- en inademing. (animatie tijdelijk met Engelse tekst)