Misclassificatie
Meetgegevens kunnen verkeerd worden geklasseerd omdat:
- Het betrouwbaarheidsinterval van de gezonde populatie onzeker is. Immers, dit wordt geschat aan de hand van een monster uit de gezonde populatie. Hoe kleiner dat monster is, hoe groter de onzekerheid is over de ligging van een arbitrair gekozen onder- of bovengrens, bijv. het 5 percentiel. De referentiegroep waaraan zulke grenzen worden ontleend dient dus bij voorkeur groot te zijn.
- De variabiliteit binnen personen er toe kan leiden dat meetresultaten dan aan de ene kant, dan aan de andere kant van de scheidslijn vallen. Hoe groter de verhouding is tussen variabiliteit binnen personen t.o.v. die tussen personen, hoe groter het aantal verkeerde classificaties zal zijn.
Een voorbeeld (ref. 1). (animatie tijdelijk met Engelse tekst)
Het gemiddelde FEV1 van een groep personen bedraagt 3500 mL, SD 350 mL. De binnenpersoonsvariabiliteit bedraagt in ons voorbeeld óf 105 óf 140 mL. We klasseren als “verdacht voor obstructie” als de waarneming onder het 2½ percentiel valt. In een gezonde populatie zou naar verwachting bij 2½ procent van de populatie worden besloten dat de waarneming onder het 2½ percentiel valt. Houden we rekening met de variabiliteit in individuele waarnemingen, waardoor deze lager of hoger kunnen worden gemeten dan hun “echte” gemiddelde niveau, dan wordt 26% resp. 35% van de waarnemingen “verdacht voor obstructie” niet herkend.
Referentie-populatie met 2½ procent “suspecte” waarnemingen |
|||
| Gemiddelde FEV1 | mL | 3500 | 3500 |
| SD tussen personen | mL | 350 | 350 |
| SD binnen personen | mL | 105 | 105 |
| Gemiste “suspecte” waarnemingen | % | 26 | 35 |
In de klinische praktijk is de prevalentie van pathologie groter dan in een gewone populatie, zodat het aantal waarnemingen “verdacht voor obstructie” naar verhouding ook groter zal zijn. Ook dan is de verhouding van binnenpersoons- en tussenpersoonsvariabiliteit belangrijk. In onderstaande tabel wordt getoond dat bij een prevalentie van 10% resp. 30% van “verdachte” waarnemingen, hiervan 2,6 tot 10,5% verkeerd zal worden geklasseerd.
Referentie-populatie met 2½ procent “suspecte” waarnemingen |
|||||
| Gemiddelde FEV1 | mL | 3500 | 3500 | 3500 | 3500 |
| SD tussen personen | mL | 350 | 350 | 350 | 350 |
| SD binnen personen | mL | 105 | 105 | 140 | 140 |
| Ziekteprevalentie | % | 10 | 30 | 10 | 30 |
| Gemiste “suspecte” waarnemingen | % | 2.6 | 7.8 | 3.5 | 3.5 |
| Conclusie: het is belangrijk om: | |
| 1 | Goed gestandaardiseerde methoden en technieken toe te passen, waardoor de binnenpersoonsvariabiliteit tot een minimum wordt beperkt. Spirometrisch onderzoek moet daarom worden verricht door professioneel opgeleide personen die voldoende tijd voor het onderzoek hebben en het geregeld (blijven) uitvoeren. |
| 2 | Gebruik te maken van referentiewaarden verkregen uit een grote onderzoeksgroep, die met vergelijkbare zorgvuldig gestandaardiseerde methoden en technieken is onderzocht. |
Ref. 1 - Voorbeeld uit: Quanjer PhH, Stocks J, Polgar G, Wise M, Karlberg J, Borsboom G. Compilation of reference values for lung function measurements. In: Standardization of lung function tests in paediatrics. Eur Respir J 1989; 2 suppl 4: 184s-261s.