Sensitiviteit, specificiteit, predictieve waarde
Waarnemingen worden t.b.v. klinische beslissingen ingedeeld als passend of niet passend bij ziekte. Aannemende dat we perfect kunnen vaststellen wie wel en wie niet ziek is (klinische diagnose), kunnen we nagaan hoe vaak er op grond van een meetresultaat sprake is van een terecht positieve (TP), foutpositieve (FP), terecht negatieve (TN) en foutnegatieve (FN) classificatie. Dit levert het volgende schema op:
| Klinische diagnose | Testresultaat | ||
| Positief | Negatief | Totaal | |
| Ziek | TP | FN | TP+FN |
| Niet ziek | FP | TN | FP+TN |
| Totaal | TP+FP | FN+TN | TP+FN+FP+TN |
| Hiervan kunnen we volgende grootheden afleiden: | |
| Sensitiviteit: het percentage patiënten dat door de test is herkend. | |
|
In formule: 100·TP/(TP+FN) |
| Specificiteit: het percentage gezonde personen dat door de test is herkend. | |
|
In formule: 100·TN/(TN+FP) |
| Predictieve waarde van een positief testresultaat: het percentage onderzochte personen dat door de test als positief (“ziek”) wordt aangemerkt. | |
|
In formule: 100·TP/(TP+FP) |
| Predictieve waarde van een negatief testresultaat: het percentage onderzochte personen dat op grond van de test correct als negatief (“niet ziek”) wordt ingedeeld. | |
|
In formule: 100·TN/(TN+FN) |
| Efficiëntie van de test: het percentage patiënten én gezonden in de hele populatie dat op grond van de test juist wordt ingedeeld. | |
|
In formule: 100·(TN+TP)/(TP+FP+TN+FN) |
| Ziekteprevalentie: het percentage personen in de hele populatie dat ziek is | |
|
In formule: 100·(TP+FN)/(TP+FN+FP+TN) |
| Percentage vals-positieven: 100 –predictieve waarde van een positief test resultaat. | |
| Percentage vals-negatieven: 100 –predictieve waarde van een negatief test resultaat. | |
Het is prettig indien zowel de sensitiviteit als de specificiteit van een test zo groot mogelijk zijn. In het algemeen bestaat het probleem dat de klinische diagnose niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, zodat de gouden standaard voor het vaststellen van sensitiviteit, specificiteit e.d. ontbreekt. Bij longziekten ligt het vaak nog weer anders: immers, of iemand die chronisch hoest, kortademig is en andere voor COPD verdachte verschijnselen heeft ook werkelijk COPD heeft wordt niet op klinische gronden, maar op basis van het resultaat van een spirometrische test vastgesteld. De facto is dan het testresultaat de quasi “gouden standaard”.